Techniek
Hoe werkt een automaat?
Hydrauliek, planetaire stelsels en elektronica in één huis.
Een automaat met koppelomvormer bestaat uit drie hoofdgroepen die samenwerken:
De koppelomvormer
De koppelomvormer vervangt de koppeling. Een pompwiel aan de motorkant zet olie in beweging, die een turbinewiel aan de bakkant aandrijft. Een stator ertussen buigt de oliestroom zo af dat het koppel bij het wegrijden wordt vermeerderd. Bij constante snelheid sluit de lock-up koppeling, zodat motor en bak mechanisch zijn verbonden en er geen slip meer is. Dat scheelt brandstof.
Planetaire tandwielstelsels
Achter de koppelomvormer zitten een of meer planetaire stelsels, elk met een zonnewiel, satellieten en een ringwiel. Door met lamellenkoppelingen en remmen telkens andere onderdelen vast te zetten of met elkaar te verbinden, ontstaan de verschillende versnellingen. Moderne automaten halen zo zes tot tien versnellingen uit een compact pakket.
Klepblok en regeleenheid
Het klepblok verdeelt de oliedruk over de lamellenpakketten, aangestuurd door solenoïdes. Bij veel moderne bakken zit de regeleenheid er direct op, als één mechatronica. De regeleenheid leert continu bij en past de schakelmomenten aan op slijtage. Die waarden heten adaptaties.